Doorzoek de collecties

U kunt hier zoeken in onze collecties archieven, boeken en tijdschriften en beeldmateriaal.
Meer informatie over:
- zoeken naar beeldmateriaal
- zoeken naar archieven
- zoeken naar boeken en tijdschriften

Uw zoekacties: N.V. Ontginningsmaatschappij 'Land van Vollenhove' te Gietho...
x0303.1 N.V. Ontginningsmaatschappij 'Land van Vollenhove' te Giethoorn en voorgangers
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

0303.1 N.V. Ontginningsmaatschappij 'Land van Vollenhove' te Giethoorn en voorgangers
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
1. Geschiedenis van de N.V. Ontginningsmaatschappij "Land van Vollenhove"
sluiten
0303.1 N.V. Ontginningsmaatschappij 'Land van Vollenhove' te Giethoorn en voorgangers
Inleiding
1. Geschiedenis van de N.V. Ontginningsmaatschappij "Land van Vollenhove"
Met de plechtigheid van het steken van de eerste spade op 14 december 1928 door de minister van Binnenlandse Zaken, mr. J.B. Kan, werd een begin gemaakt met de ontginningswerken in het Waterschap Vollenhove door de N.V. Ontginningsmaatschappij "Land van Vollenhove". * 
De N.V. was opgericht voor twee doeleinden *  :
1. Het droogmaken en ontginnen van de complexen woeste grond.
2. Het tewerkstellen van werklozen.
Wat betreft het eerst genoemde doel, aan het steken van de eerste spade waren al diverse werken tot een betere beheersing van de waterstand voorafgegaan. Van groot belang is daarbij geweest de stormvloed van 1825. De sluizen zijn Blokzijl, Zwartsluis e.a. bleken onvoldoende in staat te zijn het buitenwater te keren en de boezemwaterstand te regelen. Een belangrijke stap op weg naar een betere beheersing was de bouw van de Ettenlandse Sluis in 1893 tussen Blokzijl en Vollenhove. Doch de noodzaak van bemaling tezamen met natuurlijke lozing bleek onomstotelijk in 1910 toen heel hoge waterstanden voorkwamen tot 9 cm + N.A.P.
Normaal was een peil van 30 cm-N.A.P. Daarom gaf het Waterschap Vollenhove aan het Ingenieursbureau Van Hasselt & De Koning te Nijmegen in 1911 de opdracht een onderzoek in te stellen naar de waterstaatkundige toestand in het Waterschap Vollenhove, waarbij tevens de vraag beantwoord moest worden in hoeverre de gronden behoorlijk in cultuur gebracht konden worden. Hun uitermate gunstige rapport (1912) *  resulteerde, onder leiding van de in 1914 opgetreden dijkgraaf A.F. Stroink (later directeur van de N.V.), tot een plan van Partiële Bemaling (1921) *  , dat wil zeggen drooglegging en ontginning van de complexen woeste grond en wel om technische en financiële redenen in gedeelten. Met de bouw van het A.F. Stroink-gemaal was in 1919 de boezembemaling een feit.
Het gebied was echter te groot (30.000 ha) voor alleen boezembeheersing, met name door de zeer verschillende hoogteligging. De hoge gronden bij Steenwijkerwold, Steenwijk, Oldemarkt en Vollenhove waren over het algemeen goed ontwaterd. Het laag gelegen middengebied echter bestond voor een groot gedeelte uit min of meer uitgeveende gronden, die deels verland, deels open water waren. Door de boezembemaling kon het verlande deel niet voldoende worden drooggelegd. * 
Op initiatief van dijkgraaf A.F. Stroink werden de door het ingenieursbureau gemaakte plannen in een voor dit doel gevormde Commissie Stroink (1922) nader bekeken. Ze bracht in 1925 een rapport uit, waarin het belang van de partiële bemaling nogmaals onderstreept werd. * 
De tweede, hier boven genoemde doelstelling, hield uiteraard verband met de sinds 1925 sterk oplopende werkloosheid, met name in de "grotestadsgemeenten". Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Landbouw zocht een werkverschaffingsobject en vond dit in het ontginningswerk van het Waterschap Vollenhove. Ook zou het project kunnen zorgen voor een blijvende werkgelegenheid voor de bevolking in het Land van Vollenhove. Haar economische situatie was niet rooskleurig. De veenderij en de visserijmogelijkheden werden steeds slechter en de landbouw was weinig productief. Voor de financiering van het werk zou steun van o.a. het Rijk nodig zijn. Een in 1925 door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Landbouw ingestelde adviescommissie, de Commissie Kakebeeke, kwam in 1926 tot de conclusie, dat voor de uitvoering van het ontginningsplan een financiële bijdrage van het Rijk gerechtvaardigd was. *  Tevens was de minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw van mening, dat er een semi-officiële ontginningsmaatschappij moest worden opgericht, opdat deze over een vrij ruime handelingsbevoegdheid kon beschikken bij de uitvoering van het omvangrijke project en het werk eerder zou welslagen. * 
De voorbereiding tot de oprichting van de N.V. Ontginningsmaatschappij "Land van Vollenhove" begon in 1926 en werd verricht door een commissie die al voor de oprichting van de N.V. Algemeen Bestuur wordt genoemd. * 
De maatschappij werd toegelaten als vereniging (als bedoeld in art. 123 sub d van de Onteigeningswet) bij K.B. d.d. 24 januari 1928, nr. 52, om uitsluitend in het belang van de verhoging van de opbrengst van gronden werkzaam te zijn.
De technische uitvoering (onder controle van de N.V.) werd opgedragen aan het Ingenieursbureau Van Hasselt & De Koning te Nijmegen. De omslag van de kosten kwam voor rekening van het Rijk (4/7 deel), de Provincie Overijssel (2/7 deel) en het Waterschap Vollenhove (1/7 deel), die tevens de Aandeelhouders waren van de intussen opgerichte N.V. * 
Het Algemeen Bestuur bestond uit acht leden (in de verhouding 4:2:2 verdeeld over bovengenoemde aandeelhouders), die werden benoemd door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders. Het Dagelijks Bestuur werd samengesteld door het Algemeen Bestuur en bestond uit minimaal drie en maximaal vijf leden. De dagelijkse leiding lag in handen van de directeur, als eerste de vroegere dijkgraaf van het Waterschap Vollenhove, de heer A.F. Stroink. * 
Inmiddels was het Waterschap Vollenhove al in 1923 aan de uitvoering van het plan tot Partiële Bemaling begonnen *  , door de aanleg van twee kanalen, het kanaal Steenwijk-Giethoorn (-Beulakerwijde) en het kanaal Steenwijk-Ossenzijl. Het brengen van de scheepvaartwegen op polderpeil maakte de aanleg van deze kanalen noodzakelijk. De uitvoering van beide werken ging in 1928 over naar de N.V.
Volgens het verkavelingsplan was het droog te leggen en te ontginnen gebied verdeeld in een aantal polderafdelingen. Als eerste werd begonnen met polderafdeling IV (Complex C/polder Giethoorn). Deze polder werd ook wel "proefpolder" genoemd, gezien het experimentele karakter van het werk. * 
Allereerst werden de benodigde gronden door de N.V. (voor 1928 door het Waterschap Vollenhove) aangekocht. Dit gebeurde per complex. Alle gronden waren opgenomen in de onteigening volgens de zevente Titel van de Onteigeningswet. Voor veel grondeigenaren was dit voldoende om de gronden bij minnelijke schikking af te staan. Ze kregen voorkeursrecht om, na de ontginning, zoveel gecultiveerde gronden als bij de verkoop van de onontgonnen gronden betaald was, al dan niet met bedrijfsgebouwen. Als gevolg van de gewijzigde conjunctuur kwam hier weinig van terecht; de vroegere grondeigenaren konden het geld veelal niet meer op tafel leggen. *  Ondanks het feit, dat hiervan geen melding werd gemaakt in de Statuten van de N.V., was de tewerkstelling van werklozen bij de uit te voeren werken voor het Rijk het primaire doel. Uitsluitend op grond hiervan verleende ze financiële steun. * 
In eerste instantie zouden de werken door arbeiders uit Emmen worden uitgevoerd. In verband met een toename van de werkgelegenheid in Emmen liet het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Landbouw dit plan varen. Voor hen in de plaats kwamen werklozen uit de grote steden, als Rotterdam, 's- Gravenhage en Utrecht. Een gelukkige keus was dit voor een snel verloop van het werk echter niet. De grotestadswerklozen waren niet gewend aan zwaar lichamelijk werk en hadden voordien veelal nooit een schop gehanteerd. Het verloop onder hen was dan ook zeer groot. * 
De tewerkstelling van werklozen, onder leiding van de Rijksinspectie voor de Werkverruiming *  (R.I.W.; later Dienst Uitvoering Werken (D.U.W.)) werd tot 1932 door respectieve gemeenten gehonoreerd met een bijdrage in de loonkosten van 25 %. Voor de huisvesting van de arbeiders waren speciale werkkampen gebouwd. Tevens werd het werk, dankzij de inzet van het "Comité ter bestrijding van de werkloosheid door verschaffing voor Steenwijk en Omstreken", uitgevoerd door werklozen en "gedeputeerden" *  uit de streekgemeenten. * 
Ondanks het vlotte verloop van het ontginningswerk vond de verkoop van de gecultiveerde gronden ten gevolge van de crisissituatie niet plaats. Wilde de N.V. de gronden niet tegen iedere prijs verkopen en de vroegere grondeigenaren voldoende gelegenheid geven land terug te kopen, dan zou de N.V. de gronden in eigen beheer moeten nemen. Daarom werd, op initiatief van een lid van de Provinciale Staten, Van der Sluis, *  in 1930 besloten tot de instelling van de afdeling Eigen Exploitatie (E.E.), hoewel dit bij de oprichting van de N.V. niet de bedoeling was geweest. De afdeling E.E. bracht de ontgonnen gronden verder in cultuur totdat ze geschikt waren voor normaal gebruik, dat wil zeggen zonder speciale voorzieningen ten aanzien van de werktuigen en de werkmethoden. Deze tijd varieerde van ongeveer vijf tot acht jaar. Hierna werden ze in tijdelijke verpachting gegeven, daar verkoop tegen redelijke prijzen nog vrijwel onmogelijk was. *  Dit bestaan van twee afdelingen binnen de N.V., Ontginning en E.E., is terug te vinden in de administratie. Beide afdelingen hebben namelijk tot 1965 een afzonderlijke boekhouding.
Mede door de economische malaise van de dertiger jaren, door de ongunstige wijze van financiering van de N.V. en door het feit, dat het maken van winst nooit een doel is geweest, bevond de N.V. zich al snel in grote financiële moeilijkheden. Daarom werd in opdracht van de minister van Sociale Zaken door ir. F.P. Mesu een onderzoek ingesteld naar de situatie bij de N.V. en of voortzetting van de ontginningswerken nog wel verantwoord was. * 
Naar aanleiding van het rapport-Mesu (1934) werd door de participanten in 1935 een Commissie tot Reorganisatie van de N.V. gevormd met als doel de reorganisatie van de N.V. volgens de algemene lijnen uit het rapport-Mesu voor te bereiden. Uitvloeisel van hetdoor de Commissie in 1935 *  uitgebrachte rapport was, dat de Algemene Vergadering van Aandeelhouders in 1936 een besluit nam overeenkomstig de voorste Hen van genoemde Commissie. Dit resulteerde in een overeenkomst tussen het Rijk, de Provincie Overijssel en het Waterschap Vollenhove, waarbij in 1937 de uiteindelijke reorganisatie van de N.V. een feit werd.
Deze reorganisatie hield het volgende in. * 
1. Het rijk neemt alle bezittingen en schulden van de N.V. over en verklaard zich bereid de werken te financieren.
2. Het Waterschap Vollenhove verklaard alle kunstwerken "om niet" over te nemen in eigendom, beheer en onderhoud (uitgezonderd die van poLder Wetering-West).
3. De gronden, die de N.V. in eigendom heeft, gaan over naar het Rijk en worden ten naam gesteld van het Ministerie van Financiën, afdeling Domeinen.
4. De nog niet ontgonnen gronden en de ontgonnen gronden, die nog niet voor definitieve uitgifte in aanmerking komen, blijven in beheer bij de N.V. Definitieve uitgifte van de gronden gebeurt door Domeinen, die tevens zorgt voor de boerderijenbouw.
5. De werkzaamheden worden uitgevoerd in opdracht van de N.V. door werkloze arbeiders. De kosten aan arbeidslonen e.a. worden gedekt door subsidies van de Cultuurtechnische Dienst.
Vanaf 1943 gebeurde de uitvoering van de ontginningswerken overeenkomstig een in dat jaar opgemaakt algemeen ontginningsplan, het "Algemeen Plan voor de Verbetering van de uitgeveende gronden in het Land van Vollenhove". *  Het plan ging daarbij uit van de plaatsing van een aantal buurtschappen, aansluitend aan de aanwezige dorpen, waarin de toekomstige bevolking was gedacht. In 1949 besloot men echter tot de ontwikkeling van slechts een nieuw dorp, namelijk Scheerwolde, dat vanwege zijn centrale ligging als verzorgingscentrum zou moeten fungeren. Vanaf zijn bestaan in 1952 is het echter planologisch bezien geen succes geweest. *  Daar de ontginning dienstbaar moest worden gemaakt aan de tewerkstelling van werkloze arbeiders, moesten de daarvoor in aanmerking komende werkzaamheden in handkracht worden uitgevoerd. De E.E. werd niet als aanvullend werkgelegenheidsobject beschouwd, zodat hierbij dan ook zoveel mogelijk van mechanische middelen gebruik werd gemaakt.
Door het geringe aantal arbeidskrachten in de oorlog en de totale uitputting van de voorraden tractorbrandstoffen ging de N.V. er toe over de helft van de gronden die ondergebracht waren bij de afdeling Eigen Exploitatie uit te geven in de zgn. noodverpachting. *  Na de oorlog werd aanvankelijk gewerkt met gedetineerden. Mede door de grote behoefte aan arbeidskrachten in de landbouw bij de werken van het Bureau Oogstvoorziening, waren de vorderingen van de ontginningswerken zeer gering. Vanaf 1947 stonden D.U.W.-arbeiders beschikbaar voor de werken van de N.V. De arbeidsvoorziening was echter niet voldoende om het vooroorlogse tempo weer te bereiken. Deze daling in beschikbare arbeidskrachten zette zich voort tot in 1960 het dieptepunt was bereikt. Door het zeer lage werkloosheidsniveau en de toegenomen industrialisatie van de noordelijke provincies konden slechts de meest voorkomende werkzaamheden worden uitgevoerd. * 
In de veertiger jaren werden er tevens twee commissies ingesteld:
1. Commissie van Advies 1941 * 
2. Commissie van Advies 1947 *  Beide commissies waren door het Ministerie van Financiën met hetzelfde doel gevormd, namelijk het instellen van een onderzoek en het uitbrengen van advies inzake de door de ontginningswerken van de N.V. toegebrachte schade aan bestaansvoorwaarden van particulieren. Daarbij moet worden gedacht aan vissers, verveners, e.a. De tweede commissie ging echter een stap verder, doordat ze zich uitsluitend richtte op die personen, die om principiële redenen (als een afwijzende houding tegen de bezettende overheid) of door overmacht geen herziening van de aan hen uitgekeerde vergoedingen hadden aangevraagd. De uitbetaling van schadeloosstellingen ging tot 1969 door.
In 1961 besloot de regering mede onder druk van de natuurbeschermingsorganisaties, geen ontginningen van woeste gronden in eigendom bij de staat *  meer uit te voeren. Dit ontginningsverbod hield in, dat een gedeelte van polder Wetering-Oost niet is ontgonnen en slechts een gedeelte van polder Wetering-West werd ontgonnen. Mede door de al genoemde lage arbeidsbezetting, als gevolg van de geringe omvang van de werkloosheid, rezen er verschillende problemen bij de N.V.
Door de directeur-generaal van de Arbeidsvoorziening werd in 1961 een Commissie geïnstalleerd om hierover advies uit te brengen. Voorzitter van de Commissie van Advies 1961 was prof. ir. F. Hellinga, reden dat er ook wel gesproken werd van de Commissie Hellinga. De Commissie werkte tot 1966 aan de voorstellen tot afbouw van de ontginningswerken. * 
De uiteindelijke liquidatie van de N.V., voorbereid door het Dagelijks Bestuur, vond plaats op 31 december 1968. De liquidatiewerkzaamheden, verricht door de Cultuurtechnische Dienst, vonden tot 1972 plaats. * 
2. Literatuur
3. Bijlage: Schema ontginning
4. Geschiedenis van de archieven en verantwoording van de inventarisatie
5. Bijlage: Lijst van vernietigde stukken uit het archief van de N.V. Ontginningsmaatschappij Land van Vollenhove
Inventaris
Kenmerken
Datering:
(1926) 1928 - 1968 (1972)
Omvang archiefblok:
48,50 m
Toegang:
Offringa, G., Inventaris van de archieven van de N.V. Ontginningsmaatschappij "Land van Vollenhove" (1926) 1928-1968 (1972). Met voorstukken en gedeponeerdearchieven, (1926) 1928 - 1968 (1972), Zwolle (1983).
Openbaarheid:
Deels beperkt openbaar. .
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS