Rooms-katholieke kinderen werden zo snel mogelijk gedoopt. Alleen doopsgezinden lieten zich pas op volwassen leeftijd dopen. Aangezien in Overijssel tot in het begin van de 18de eeuw kinderen van alle gezindten binnen veertien dagen na de geboorte in een gereformeerde kerk moesten worden gedoopt, moet je tot circa 1730 ook bij rooms-katholieke, doopsgezinde of lutherse voorouders de gereformeerde doopboeken controleren.
Doopregisters van rooms-katholieken en andere gezindten komen sowieso pas aan het eind van de 17de en in de 18de eeuw, toen minder hard tegen andere geloven werd opgetreden, regelmatiger voor.
Gegevens in het doopboek
In het algemeen worden de doopinschrijvingen in de loop der tijd steeds uitgebreider. Aanvankelijk worden vaak alleen de namen van de vader en het kind en de doopdatum genoemd. Later komt de naam van de moeder erbij en pas in het laatst van de 18de eeuw ook de geboortedatum.
In plattelandskerken wordt meestal ook de naam van het dorp of de buurschap waar de ouders woonden vermeld. Soms zijn eveneens de namen van doopgetuigen of doopheffers genoteerd. Deze namen kunnen een belangrijke rol spelen bij het reconstrueren van familierelaties, omdat het vaak grootouders of ooms en tantes van de dopelingen betreft.
(Dit is pagina 4 van 7) Ga verder