Ter Kuile jr. kende dat band het inventarisnummer 4000 toe[1]. Het van een perkamenten omslag voorziene band meet 32,4 x 19,6 cm (l x b) en is 4 cm dik en is niet gefolieerd dan wel gepagineerd. Op de omslag staat geschreven:
Landtrecht
van
Overijssel
ende
Eedt van alle
geadmitteerde
advocaten ende
procuratoren
Bovenaan op de rug van het band is te lezen: 'Lantrecht ende admissie van advocaten procuratoren'. Onderaan de rug twee keer het getal dertien, het ene in romeinse cijfers ('XIII') en het andere in arabische cijfers ('13') geschreven. Dat getal zal wel een of ander inventarisnummer dan wel plaatsingskenmerk geweest zijn.
Zoals de titel al aangeeft is de tekst van het landrecht hierin ingebonden. Er waren namelijk twee versies ervan in de omloop, de in het register ingebonden versie is de gedrukte editie 'Landrochten van Over-Yssel' uit 1630 van de 'ordinaris Boeckdrucker der Landtschap van Overijssel' Sebastiaen Wermbouts[2]. De afmetingen van de daarin ingebonden versie zijn 18,5 x 14 cm (l x b). De pagina's met de handtekeningen van de geadmitteerde personen tot en met 17 januari 1671 zijn op pagina's van dezelfde afmetingen als die van de ingebonden versie van het landrecht geschreven. Het vermoeden bestaat dat de band pas van 1671 dateert, doordat deze kleine pagina's toen in een 'doorschoten' band werden ingebonden. Met andere woorden: er waren eerst twee afzonderlijke registers die in 1671 samen met de tekst van het landrecht in één band werden ingebonden. Na de tekst van het landrecht komt de met de klerkenhandgeschreven formulier van de eed op de advocaten en procureurs, waarna de handtekeningen van de geadmitteerden over de periode 1630 - 1811 volgen.
Achteraan de band zijn de eedsformulier voor de 'adviserende'[3] advocaten alsmede hun handtekeningen (dus een tweede serie) - lopende van 1630 tot en met 1809 - te vinden.
De advocaten, procureurs en adviserende advocaten en hun admissie[4].
Het landrecht van Overijssel werd op 12 maart 1630 door Ridderschap en Steden, de Staten van Overijssel, tijdens de Landdag te Deventer vastgesteld. Naast het materiële en formele recht werd daarin ook de rechtsgang geregeld[5]. Dit landrecht verving de landbrieven van de bisschoppen van Utrecht. De wens om een aantal ongeschreven rechtsregels te codificeren was ook de reden tot de vaststelling van het landrecht van 1630. Gevoeglijk kan men aannemen dat de vereiste criteria voor het praktiseren als advocaat alsmede de toelating tot het gewest Overijssel voorheen op gewoonterecht berustten. Sinds 1630 werd voor de uitoefening van het beroep van procureur of advocaat binnen het gewest Overijssel krachtens titel 17, artikel 7 van het eerste deel van het landrecht admissie door middel van eedsaflegging en registratie verplicht gesteld op straffe van nietigheid.
De 17 artikelen van het tweede titel van het eerste deel van het landrecht schreven voor waaraan de advocaten, procureurs en hun volmachten moesten voldoen om hun juridische werkzaamheden te kunnen doen. De advocaten moesten '.. vrome, welge leerde gegradueerde personen, der Rechten Doctoren, licentiaten ..' zijn[6] en de procureurs zijn '.. vreedelievende bequame personen van tamelicke experience ende staen ter goeden naem en faem, mede wel ende correct schrijven konnen [7].
Artikel 7 van titel 17 van het zelfde deel schreef admissie van de advocaten en procureurs voor, en luidde als volgt:
' ... Die Advocaten voor desen hier niet gepractiseert hebbende/ ende om te mogen pracciseren geadmitteert/
Sullen in drie jaren tijds/ van den dag haerer admissie af te rekenen/ geen sententie interlocutoir/ noch definitie[8] in eenige saken te geven versocht worden. Ende daer anders geschiede/ sal sulck ordel nul ende krachteloos sijn/ ende die schultes geholden den partyen te refunderen die costenm ende schade daer over gehat ende gedaen ...'
Om de vereiste eed te kunnen afleggen diende men zich eerst bij rekest aan de Ridderschap en Steden te presenteren. Na de eedsaflegging kon de desbetreffende jurist dan zijn handtekening in het register zetten, waarna op de achterkant van de meegebrachte universitaire bul aantekeningen met betrekking tot de admissie aangebracht werden. De transcriptie van de eedsformulier is in bijlage 1 te vinden.
Binnen de advocaten werd onderscheid gemaakt tussen twee soorten:
- advocaten die iemand van juridische advies konden dienen en
- advocaten die voor een provinciale rechtbank mochten pleiten.
Voor de uitoefening van deze bevoegdheden was dubbele registratie nodig. Om voor het adviseren van de rechtbank in aanmerking te mogen komen moest minimaal een termijn van drie jaar na de eerste inschrijving verlopen zijn. Het geven van adviezen was een uiterst belangrijke zaak omdat de rechtbank de vastgelegde juridische redenering meestal volgde en het advies tevens het oordeel inhield. Vandaar dat dit recht voorbehouden was aan 'onpartijdige ende geadmitteerde rechtsgepromoveerden'. Na de promotie liet wel bijna elke afgestudeerde jurist zich bij het gewest als zodanig inschrijven waarna hij een praktijk mocht uitoefenen. Tot en met 1692 legde een deel van de geadmitteerde advocaten meestal ook tegelijkertijd een eed om toegelaten te kunnen worden tot advocaat voor 'de belheronge' ('bele(e)ringe'), d.i. het 'adviseren'. En de admissie van de 'adviserende' advocaten wordt in hetzelfde titel onder artikel 5 geregeld:
" ... Totte beleeringe/ off om te adviseren ende sentenieren/ sullen geene vande geadmitteerde Rechtsgepromoveerden gesuspecteert/ noch gewracket worden/ als die sake selfs mede mag angaen/ ende daerby hebbe te winnen of te verliesen/ die een gelijcke sake hebben in recht hangen ende bedienen/ die gene de welcke met jemant van die partyen in merckelicke twist/ haet of viantschap leeft/ en die een van die partyen int' vierde lidt van consanguiniteit of affiniteit bestaet nade computatie der graden/ volgens die keyserlicke rechten...".
'Belering' en 'advisering' is het opstellen van vonnissen. Die 'belering' werd door de rechters gevraagd, die de processtukken aan de advocaat (= 'referent') of in zeer belangrijke kwesties aan meerdere advocaten toezonden. Het (gezamelijk) opgestelde 'advis', dat geheel de vorm van een vonnis had, werd door de 'referent' aan de rechter toegestuurd. Door dit ter terechtzitting voor te lezen maakte de rechter het tot vonnis[9].
Na de vaststelling van het landrecht duurde het bijna negen maanden alvorens de eerste admissies en registraties kon plaatsvinden. De tekst van de beide eedsverklaringen moesten namelijk nog worden vastgesteld; gegevens over de vaststelling ervan ontbreken. Op 8 december 1630 was het zover, de rechtsgeleerde Wilhelm Mariënburg (1590 - 1648[10]) uit Deventer beet de spits af, hij legde als eerste de beide eedsverklaringen af en zette zijn handtekeningen in het nieuwe register[11]. De eedsformulier voor de 'adviserende' advocaat in transcriptie is in bijlage 2 opgenomen.
Dat de admissie door het afleggen van de eed voor de advocaten geen onbeperkte toegang tot de rechtsgang betekende bleek al gauw. Op 22 april 1650 besloten Ridderschap en Steden een verordening te doen uitgaan dat rooms-katholieke adviserende advocaten niet mochten optreden in geschillen over het huwelijk[12]. In 1692 werden enkele regels aan de toelatingseisen toegevoegd, waarvan de belangrijkste waren:
- de advocaten mochten niet tegelijk als procureur optreden, en
- wil een advocaat ook als 'referent' gaan optreden, kan dat pas drie jaar na zijn admissie als advocaat.
Met het laatste werd gewoon bedoeld dat men eerst drie jaar praktijkervaring moest opdoen als advocaat alvorens te kunnen 'adviseren'[13].
De Bataafs-Franse tijd van 1795 - 1810 met zijn staatkundige veranderingen en diverse staatsregelingen en constituties bracht slechts marginale veranderingen in het admissiebeleid. Met andere woorden, de in het Landrecht van Overijssel vastgestelde regels met betrekking tot de toelating van advocaten en procureurs bleven gewoon van kracht. Dat bleek wel uit de aanhef van het vijfde hoofdstuk van het 'Reglement van orde voor het Departementaal Bestuur van Overijssel', gearresteerd op 23 juni 1802. Deze aanhef, welk aan artikel 77 voorafgaat, luidt als volgt:
'De manier van procederen en het behandelen van de rechtzaken in het voormalig Overijssel en Landschap Drenthe, volgens de bestaande Lands-wetten [...]'.
Wel gaf artikel 211 van de instructie voor de Departementale Gerechtshoven uit 1801 aanleiding voor het Departementaal Gerechtshof van Overijssel om een nieuw register van advocaten en procureurs aan te leggen, dit naar aanleiding van de admissie en de eedsafleggingen krachtens het laatstgenoemde artikel van de advocaten mr. L.C.H. Strubberg en mr. A. Sandberg[14]. Dat register werd parallel met de originele registers uit 1630 bijgehouden. Na slechts drie inschrijvingen in 1801 liet men het register zitten voor wat het is, doch na de vaststelling van het reeds hierboven gememoreerde reglement van het civiele procesrecht voor het Departementaal Hof van Justitie van Overijssel op 14 februari 1805 haalde men het register weer van stal. Van 21 maart 1805 tot en met 5 december 1806 vonden 15 inschrijvingen plaats, waaronder die van de bekende en reeds bejaarde Twentse advocaat mr. J.W. Racer. Deze inschrijvingen betreffen echter niet de algemene toelating van de advocaten en procureurs in het departement maar de bijzondere toelating tot het Departementaal Hof van Justitie![15].
Het 'reglement houdende op de manier van procederen in civile zaken voor het Departementaal Hof van Justitie in Overijssel', dat op 14 februari 1805 door het Departementaal Bestuur gearresteerd werd, zorgde voor de tweede verandering in de wijze van het bijhouden van de registers sinds 1630. Artikel 67 van dat reglement bepaalde namelijk:
'De Advocaten en Procureurs, welke voornemens zijn voor het Hof te praktiseren, zullen zulks bij Requeste te kennen geven met vertooning hunner acten van admissie van het Departementaal Bestuur.'
Dat artikel bracht het in Deventer gevestigde Departementaal Hof van Justitie namelijk ertoe bij zijn brief van 17 september aan het Departementaal Bestuur van Overijssel om toezending van het 'boek of register van de geadmitteerde advocaten en procureurs' te verzoeken. Zo'n verzoek mag op zijn minst erg merkwaardig genoemd worden. Als rechtsopvolger van het Departementaal Gerechtshof, sinds 1802 was het Departementaal Hof van Justitie immers in het bezit van de in 1801 aangelegde register op de advocaten en procureurs. Bij resolutie van 10 oktober 1805 besliste het Departementaal Bestuur echter dat van dat register een kopie vervaardigd zal worden met betrekking tot de admissies van de toen in leven zijnde advocaten en procureurs. Tevens verzocht het Departementaal Bestuur de Hof om voortaan op de hoogte gesteld te worden van alle nieuwe admissies, dit voor het bijhouden van het sinds 1630 aangelegde register[16]. Het Departementaal Bestuur liet toen twee kopiëen van het register vervaardigen, te weten de ene van de (in leven zijnde) advocaten en adviserende advocaten en de andere van de (in leven zijnde) procureurs, en zond deze toe aan het Hof toe[17]. De oudste, of beter gezegd de langst fungerende advocaat was mr. Tobias Tobias, die op 14 september 1743 admissie deed. Zijn confrere mr. J.B. Auffmorth uit Goor was de langste fungerende procureur, zijn admissie vond op 24 november 1763 plaats. Sindsdien hield het hof het Departementaal Bestuur, sinds 1807 de Landdrost van Overijssel, op de hoogte van de nieuwe admissies.
Van 10 oktober 1805 tot en met 5 december 1806 werden dus drie registers naast elkaar bijgehouden, te weten
- de originele oude registers vanaf 1630 door het gewestelijk bestuur van Overijssel,
- de op 11 oktober 1801 aangelegde register door het Departementaal Gerechtshof van de Bataafse Republiek sinds 1802 door haar rechtsopvolger het Departementaal Hof van Justitie en
- de twee kopiëen van de originele oude registers, de ene van de advocaten en adviserende advocaten en de andere van de procureurs vanaf 1630 door het hiervoorgenoemde Hof[18].
Het in 1809 vastgestelde 'Wetboek op de Regterlijke Instellingen en Regtspleging in het Koninkrijk Holland[1]', waarin de admissie van de advocaten - hierin 'praktizijns' genoemd - in de artikelen 205 t/m 212 geregeld werd[19], kon echter niet ingevoerd worden, want de Franse keizer stak er een stokje voor. De vereniging van het Koninkrijk Holland met het Franse keizerrijk met ingang van 1 januari 1811[20], bracht een nieuwe organisatie van de departementen, waaronder ook de inrichting van de rechterlijke macht, per diezelfde datum bij keizerlijk decreet van 18 oktober 1810 met zich mee[21]. Nu dat alles geregeld werd konden de Franse wetten ingevoerd worden. De oorspronkelijke datum van de inwerkingtreding van deze wetten per 1 januari 1811 werd in verband met de uitgestelde installatie van het keizerlijk gerechtshof te 's-Gravenhage met twee maanden naar 1 maart verschoven[22]. Naast de zgn. 'Code de Procedure Civile' met de artikelen 75-82 met betrekking tot de advocaten[23], de keizerlijke decreten inzake de registratierechten van de akten van beëdiging van advocaten en procureurs[24] en het optreden tegen het onbevoegd praktiseren als procureur[25], werd de toelating van de advocaten en procureurs tot de balie sindsdien op grond van het bij keizerlijk decreet van 14 december 1810 vastgestelde 'Reglement op de uitoefening van het beroep van advocaten en de discipline van de balie' geregeld[26]. De inwerkingtreding van dat reglement betekende dan ook het einde van de admissie van de advocaten en procureurs volgens het landrecht van Overijssel sinds 1630. Dat weerhield mr. H.W. baron Sloet tot Westerholt er niet van om er voor te zorgen, dat hij op 24 februari 1811, d.i. vier dagen vóórafgaande aan de inwerkingtreding van de Franse wetten, admissie volgens het oude landrecht verkreeg als advocaat. Wellicht deed hij dat om patriottische redenen. Het reglement van 1810 werd in 1838 bij Koninklijk Besluit van 14 september vervangen door een nieuwe reglement, geheten 'Reglement van Orde en Discipline voor de Advocaten[27].
Opzet en werkwijze bij het ontsluiten van de registers.
Naast de namen (familienaam c.q. patroniem), voorletters dan wel voornamen c.q. afkortingen daarvan zijn de data en indien aangegeven de plaatsen waar de eedsaflegging van de betrokkene heeft plaatsgevonden opgenomen. Daarnaa zijn in de voetnoten de plaatsen van herkomst dan wel woonplaatsen van de desbetreffende jurist verwerkt. De namen zijn niet gestandariseerd, de in de registers voorkomende spelling is zoveel mogelijk en voorzover leesbaar - het gaat immers om handtekeningen - geheel overgenomen. In tegenstelling tot die bij de officieren die ter repartitie van het gewest Overijssel stonden, kon bij onduidelijkheden in hun handtekeningen niet in de - met vaste klerkenhand geschreven - registers van resoluties van de Ridderschap en Steden nagegaan worden welke advocaten/procureurs ter vergadering kwamen om zich te laten beëedigen. Bij de namen zijn geen verwijzingen naar de desbetreffende pagina's van de registers gemaakt, alleen naar de datum c.q. het jaartal van hun admissie.
Gaarne wil ik mijn grote dank aan mijn collega A.J. Mensema betuigen voor zijn onmisbare hulp bij het ontcijferen van enkele moeilijk leesbare handtekeningen en de heer mr. E.D. Eijken, oud-rijksarchivaris van Overijssel, voor het doornemen en aanvullen van de inleiding. Dat de ontsluiting van de register op de admissie van advocaten en procureurs, en adviserende advocaten zijn nut zal bewijzen, is de wens en hoop van de bewerker dezes.
Zwolle, 4 februari 1998 J.H. Wigger
Noten
| [1] |
G.J. ter Kuile jr, 'Inventaris van het archief van de Staten van Overijssel en de op hen volgende colleges, 1578-1810'(Rijksarchief in Overijssel, z.j.) niet gepubliceerd, inv.nr. 4000. |
| [2] |
De titelpagina ervan luidt 'Landrochten van Over-Yssel uit 1630 van de ordinaris Boekdruckken der Landtschap van Overijssel Sebastiaen Wermbouts, wonende op de Poot in den Vergulden Opbel, voorafgegaan door een resolutie van de Ridderschap en steden van 12 maart 1630 inzake het doen drukken van 'een Formulier van die Landrechten' |
|
|
'Adviserende' betekent 'als referent'optredende. |
| [4] |
Hiervan is deels gebruik gemaakt van de literatuur als volgt: J.C. Streng, 'Stemme in Staat' De bestuurlijke elite in de stadsrepubliek Zwolle, 1579-1795 (Hilversum, 1997) 183-184, en S.J. Fockema Andreae, 'De jurist in de Overijsselse samenleving, voornamelijk in de 17e en 18e eeuw', in VMORG 59e jrg. (1943, XXII-XXVI). |
| [5] |
Voor wie meer wilt weten over de rechtsgeschiedenis van Overijssel zij verwezen naar het - uiterlijk in 2000 te verschijnen - boek van de oud-rijksarchivaris in Overijssel, mr. E.D. Eijken, Inleiding op het in Overijssel voor 1811 geldende recht. |
|
|
Vlg. titel II, artikel 1 van het eerste deel. |
| [7] |
Vlg. titel II artikel 3 van het eerste deel. |
| [8] |
'Definitie' betekent 'als referent' gaan optreden. |
| [9] |
E.D. Eijken, Inventaris van het archief van het drostambt Twente, 1610-1811 (Zwolle) 1992, 12-13. |
| [10] |
H. Kronenberg, 'Het Geslacht Marienburgh'in VMORG, XXVe stuk (1909), 105-119, i.h.b. 107-108. |
| [11] |
Zie over hem ook in: J. van Doorninck, Geslachtkundige aanteekeningen ten aanzien van de gecommitteerden ten landdage van Overijssel zedert 1610-1794 (Werken van de VORG, nr. 8 (Deventer, 1871), 436-437. |
| [12] |
RAO, Statenarchief, (Inv. Ter Kuile), inv.nr. 12 (resolutie Ridderschap en Steden van 22 april 1650). |
| [13] |
RAO, Statenarchief (Inv. Ter Kuile), inv.nr. 150 (resolutie Ridderschap en Steden van 8 april 1692 artt. 24 en 26. |
| [14] |
RAO, Archief Gerechtshof Bataafse Departement Overijssel, 1799-1801, inv.nr. 26 (resolutie van 11 augustus 1801). |
| [15] |
RAO, Archief Departementaal Hof van Justitie van Overijssel, 1801-1812, inv.nr. 168. |
| [16] |
RAO, Statenarchief (Inv. Ter Kuile), inv.nr. 6193 (resoluties van 26 september en 10 oktober 1805. |
| [17] |
Deze kopiëen bevinden zich in het Archief van het Departementaal Hof van Justitie van Overijssel, 1802-1811, onder de inv.nrs. 166-167. |
|
|
Ter informatie moge dienen, dat in iventarisnummer 3145 van het huisarchief Almelo ook een lijst van de door de provincie geadmitteerde advocaten/procureurs te vinden is. |
|
|
Wetboek op de Regterlijke Instellingen en Regtspleging in het Koninkrijk Holland, ('s- Gravenhage), 1809. |
| [20] |
Bulletin les Lois nr. 299 (keizerlijk decreet van 9 juli 1810, nr. 5724) |
| [21] |
Bulletin les Lois nr. 322 (keizerlijk decreet van 18 oktober 1810, nr. 6043) |
| [22] |
Bulletin les Lois nr. 327 (keizerlijk decreet van 8 november 1810, nr. 6105) en 342 (keizerlijk decreet van 6 januari 1811, nr. 6444). |
| [23] |
Bulletin les Lois nr. 96 (keizerlijke decreten van 14 april 1806, nr. 1647 en 21 april 1806, nr. 1649) |
| [24] |
Bulletin les Lois nr. 147 (keizerlijk decreet van 31 mei 1807, nr. 2448). |
| [25] |
Bulletin les Lois nr. 302 (keizerlijk decreet van 19 juli 1810, nr. 5738). |
| [26] |
Bulletin les Lois, nr. 332 (keizerlijk decreet van 14 december 1810 nr. 6177). Deze reglement kwam voort uit de Wet van 22 Ventose, an XII, tit. 5 artt 29 - 32. Zie ook Bulletin les Lois, nr. 355 (keizerlijk decreet van 22 Ventose an XII, nr. 3678). Zie ook: M.T. van der Feen, De Orde der Advocaten, derzelver oorsprong, geschiedenis, aanzien en verval mitsgaders eenige denkbeelden omtrent de middelen tot herstel van den alouden luister ('s-Gravenhage, 1841). |
| [27] |
K.B. van 14 september 1838, Stbl. 36. |