print deze pagina

pijlStuk van de maand: 'Twee maal gered'


‘In deze zaal’, vertelde Harry Hes -tijdens de Nachtwake op 13 april 2005 ter herinnering aan de in de Tweede Wereldoorlog omgekomen Zwolse Joden- ‘deed ik in mei of juni 1947 toelatingsexamen voor het Gymnasium Celeanum...

Een Cito toets avant la lettre. Zo werd onderzocht of  onze kennis en vaardigheden, maar vooral kennis, die werd er toen nog ingestampt, toereikend was om deze heilige hallen met enige kans op succes te kunnen betreden.

Die kennis had ik opgedaan op de zevenklassige School I, thans de Parkschool, onder de bezielende leiding van meneer De Jong als hoofd der school. Een groepje van de betere leerlingen van de zesde klas, waaronder ik, was in die winter tijdens de buitenschoolse uurtjes door meester Pon, juf Viehoff en meneer De Jong zelf -voor Frans- klaargestoomd om de zevende klas te kunnen overslaan. Vooral kennis dus. Zo konden wij antwoorden op de vraag, langs welke plaatsen men komt als men per trein zou reizen van Groningen naar Middelburg.

Maar langs welke plaatsen komt men als men in een veewagon moet reizen van Zwolle via Westerbork naar Auschwitz of Sobibor? Ik zou het bij God toen niet geweten hebben en zij, die op 3 oktober 1942 deze tocht begonnen in deze zelfde zaal, wisten het ook niet, denk ik. Ik wist zelfs niet, welk drama zich bijna vijf jaar eerder in dit gebouw had afgespeeld. Wat ik in 1942 buiten gezien had, bracht ik anno 1947 niet in verband met deze plek.

Het Gymnasium Celeanum en het gymnastieklokaal aan de Veerallee in 1935, vijf jaar na de opening.

Het Gymnasium Celeanum en het gymnastieklokaal aan de Veerallee in 1935, vijf jaar na de opening.

Gymzaal met een verleden

Zes jaar lang heb ik in deze zaal gezwoegd en gezweet onder leiding van de legendarische Sjef van der Muur. Ik ben in de touwen geklommen, heb aan het wandrek gehangen, ben de ladders op- en afgegaan, heb en ben achterna gezeten zonder de vloer te raken als we de boel mochten verbouwen tot een apenkooi, we hebben volleybal en handbal gespeeld en nooit heb ik me gerealiseerd, wat er zich op deze vloer ook had afgespeeld.

Examen

Vijf promoties in deze zaal later, zes jaar na het toelatingsexamen, in begin juni 1953, deed ik hier eindexamen. Althans het schriftelijk. Het mondeling was in school. Mijn laatste vak was biologie: De Haas, onsterfelijke motor van de sfeer en de schoolcultuur van toen, initiator en leider van buitenschoolse activiteiten en voortreffelijk docent.

Het was mijn laatste vak, slechts oppervlakkig bestudeerd door tijdgebrek en de belachelijke gedachte, dat al die goedgestructureerde lessen nog wel in mijn hoofd zouden zitten. Ik was moe, aan het eind van mijn latijn en had moeite de boog van de examenspanning strak te houden. Stijf van de stress betrad ik het biologielokaal, alwaar ik, in mijn herinnering, op niet één vraag van De Haas en/of de gecommitteerde een zinnig antwoord wist te geven. Ik geneerde me dood, juist tegenover De Haas.

Meneer De Haas

Had ik niet bij hem altijd het gevoel gehad, zonder daarover ooit te hebben kunnen spreken, dat ik met hem iets deelde dat hij met anderen niet had? Dat wij beiden iets wisten, dat anderen niet wisten? Dat ik hem niet alleen respect maar ook dank was verschuldigd? Hoe kon ik hem en mijzelf dit aandoen en hem zo teleurstellen?

Ik had een zes. De enige op mijn lijst van zevens, achten en een enkele negen. Hoogstwaarschijnlijk door De Haas bij de gecommitteerde bevochten op grond van mijn schoolprestaties. Dat kan niet anders. In mijn gevoel was dit examen niet meer dan een dikke onvoldoende waarde geweest. Gered door De Haas. Door menéér De Haas dit keer.

Al eens eerder gered

Ik was al eens eerder door een De Haas gered. Door mevrouw De Haas, om precies te zijn.   Dat was op 3 oktober 1942. Op de avond van 2 oktober 1942, ik was al naar bed, werd ik wakker gemaakt en in het donker naar het huis van de familie Schrale, een ouder echtpaar, op de hoek van de Sophiastraat en de Oranje Nassaulaan gebracht. Dat was maar een paar stappen van Oranje Nassaulaan 1, het huis waar ik op dat moment nog woonde met mijn grootouders Hes en mijn grootvader Bouscher.

De Oranje Nassaulaan in de Veeralle (Zwolle), nabij het Gymnasium Celeanum, waar Harry Hes korte tijd woonde - eerst op nummer 1, in het tweede huis op de foto, later op nummer 7, even verderop.

De Oranje Nassaulaan in de Veeralle (Zwolle), nabij het Gymnasium Celeanum, waar Harry Hes korte tijd woonde - eerst op nummer 1, in het tweede huis op de foto, later op nummer 7, even verderop.

Onderduiken

Het was het huis, dat mijn vader op het nippertje per 1 januari 1942 had kunnen huren, nadat ons huis Melkmarkt 45 op 22 december 1941 per 31-12 was gevorderd. In de loop van juli en augustus waren achtereenvolgens mijn vader, mijn broertje en mijn moeder ondergedoken.  Mijn grootouders, die een onderkomen hadden gevonden op Rode Torenplein 8, waren ten tweede male uit hun woning gezet en in ons huis getrokken. 

Dat ik daar toen nog was heeft mogelijk te maken met het feit, dat ik natuurlijk eind augustus naar school moest. Zo praktisch was mijn vader ook wel. Maar, zo schrijft mijn oom Herbert Bouscher in zijn boek over onze belevenissen, ik  -en ik citeer-‘was to be moved at the first hint of trouble.’  

Het moment van ‘the first hint’ kwam op 2 oktober 1942. Mijn grootvader Bouscher kreeg die dag het bericht van de politie, dat hij zich ‘s avonds gereed moest houden voor deportatie. En ik werd, ‘by prearrangement’ zoals mijn oom schrijft, naar de familie Schrale gebracht. Daar sliep ik verder, mij niet bewust van wat er speelde. Wie het geregeld heeft zal ik nooit weten, zoals ik zoveel details nooit zal kennen.

Zonder afscheid

Ik herinner me dat ik de volgende ochtend in een vreemde omgeving ben opgestaan en heb ontbeten. Ik weet niet meer of ik nog naar huis ben geweest, ik herinner me geen enkel afscheid van mijn grootouders Hes, die ik toen voor het laatst heb gezien, noch van opa Bouscher, die simpelweg niet was opgehaald. En die op de avond van 17 november, een uur voordat dat wel het geval was, door zijn zoon in veiligheid werd gebracht. Voor oma en opa Hes kwam het fatale moment op 8 april 1943. Op 7 mei 1943 werden zij te Sobibor vermoord.

Maar op die derde oktober, die zaterdagochtend, verscheen bij de familie Schrale een mevrouw met wie ik mee moest gaan. Ik weet zelfs nu niet, of ik toen haar naam heb geweten of die pas later heb gehoord. Ik zat op de bagagedragerbij mevrouw de Haas, mijn hoofd diep in de kraag van mijn jas, mijn wang zo dicht mogelijk tegen haar rug.  Dit om herkenning zoveel mogelijk te vermijden. Er moet een tas of een koffertje zijn geweest, maar dat is uit mijn herinneringsbeeld verdwenen. Zo fietsten wij langs het gevaar, zo scheerden we langs de afgrond, die langs de Veerallee, in de gymnastiekzaal, bij de Veeladingbrug en op het station voor ons was geopend. Degenen die daar liepen met hun bepakking zouden er kort daarna in worden geduwd. Ik besefte niet wat ik zag.

Beter niets vragen

Terwijl ik dit vertel moet ik denken aan eent liedje van Paul van Vliet:  ‘Veilig achterop, bij vader op de fiets, vader is een held en ik weet nog van niets.’ Mevrouw de Haas was mijn held en ik wist inderdaad van niets. Ik wist niet eens waar ik heen ging. Ik voelde wel, later in de trein, dat ik ook maar beter niets kon vragen. Eén keer ontglipte de vraag me, het werd me te machtig, maar mevrouw De Haas ontweek hem handig. Dat moest ook wel met een Marechaussee in uniform tegenover ons op de bank.

Naar het noorden

De treinen naar het noorden kiezen na Meppel het spoor richting Leeuwarden of richting Groningen. Wij gingen richting Leeuwarden. Alle anderen zijn ongetwijfeld richting Assen/Groningen geleid. Zij gingen de verkeerde kant op, ik de goede. In Heerenveen stapten we uit en we namen de stoomtram naar Sneek. In Sneek liepen we van het tramstation naar een huis aan de kade opzij van de Waterpoort.  Dat was klaarblijkelijk het eerste contactadres. Daar zijn we gebleven tot het donker was, waarna we zijn gelopen naar Grootzand 57, het winkel/woonhuis van de familie Van der Goot.

Een ouder broertje

Ik heb geen idee of er die middag vooraf contact is geweest met het beoogde onderduikadres, maar ik betwijfel het. Het moment van aanbellen en het opengaan van de deur herinner ik me goed en mijn gevoel zegt me, dat de verrassing bij de familie compleet was, ook al moet er een soort afspraak zijn geweest. Ik was bij een jong gezin, beide echtelieden 32 jaar oud, een meisje van vier en een jongetje van 11 maanden. Ik als ouder broertje, een ‘perfect match’. Maar dat wist ik toen nog niet, toen ik daar die avond hoogst bevreemd zat rond te kijken.

Goede afloop niet vanzelfsprekend

En wat ik ook niet wist, niet kon weten, maar pas veel later van mijn pleegmoeder heb gehoord, is, dat zij na een doorwaakte nacht in puur Godsvertrouwen hebben besloten hun toezegging gestand te doen en mij veiligheid te bieden. Mevrouw De Haas was toen al weer, naar later bleek veilig, terug in Zwolle, bij háár jonge gezin. Terug van een missie, waarvan de goede afloop niet als vanzelfsprekend gewaarborgd was.

Op dit moment en op deze plaats betuig ik respect aan de redders, aan al mijn redders, van wie ik er slechts een aantal heb genoemd. En ik denk met evenveel respect aan hen, voor wie redding niet mogelijk was en die, al dan niet in goed vertrouwen, zich hier hebben gemeld om er de nacht door te brengen. Een lange nacht … zonder dag.’ 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DE ROZENBOOM

In de Zwolse Courant van 15 april 2004 verscheen een artikel onder de titel ‘Zwarte bladzijde is nog een witte vlek’.  Aanleiding was het in 2003 verschenen jubileumboek over het Gymnasium Celeanum, waarin werd gesproken over de tragische gebeurtenissen op 2 en 3 oktober 1942.  Het ‘voorportaal van de hel’ had zich voor een grote groep Zwolse joden bevonden in een in 1930 gebouwd gymlokaal, waar vele honderden scholieren hun lichamelijke oefening hadden gehad, waar eindexamens waren gehouden, diploma’s uitgereikt en andere feestelijke gebeurtenissen plaats hadden gevonden. En nog zouden vinden.

De simpele reden om de deportatie van een grote groep joodse Zwollenaren vanuit dit gebouw te laten plaatsvinden, was gelegen in de locatie:  een rustige plek, ruimte, vlakbij de spoorlijn. Bovendien stond het voor die tijd moderne gymlokaal in het week-end leeg. De leerlingen hoefden nauwelijks, of wellicht helemaal niet, te merken wat er zich had afgespeeld in de vrijdagnacht en de zaterdag vóór zij op maandag weer naar school gingen. Op zondag, of zelfs nog op zaterdagavond, kon de boel worden schoongemaakt en op 5 oktober leek het weer alsof er niets was gebeurd. De school kreeg ook nadien nog onverwachte bezoekers. Zo werd het gebouw door de Duitsers gevorderd om onderdak te bieden aan spitters voor de IJssellinie en diende het gebouw ook als hospitaal.
Maar op 4 september 1945 konden de lessen worden hervat. Het leven op school ging weer zijn gang. ‘Andere zaken vroegen de aandacht.’ Het gebrek aan lesmateriaal, aan brandstof, vervoersproblemen, de eerste schoolkampen, de heroprichting van de ZGB, nieuwe leraren en leraressen, een nieuwe rector; in het gymlokaal werd voor het eerst in de Zwolse geschiedenis volleybal gespeeld. Over de oorlog werd niet of  nauwelijks meer gesproken. De zwarte bladzijde bleef een witte plek, ook in de decennia nadien. De school verhuisde in 2003 naar de Zoom in de Aa-landen, het hoofdgebouw en het gymlokaal kregen  nieuwe eigenaren en nieuwe bewoners.

Naar aanleiding van het artikel in de Zwolse Courant werden door het raadslid Anneke Nusselder op 20 april 2004 raadsvragen gesteld. Zij sprak  wethouder John Berends aan op de wenselijkheid om -zoals voorgesteld vanuit het  Historisch Centrum Overijssel, het Stedelijk Museum Zwolle en het Gymnasium Celeanum- voor de gedeporteerde joden een gedenkteken op te richten of een plaquette aan te brengen op of  bij de gymzaal van de school. De wethouder zegde toe, aldus de Zwolse Courant van 21 april 2004, contact op te zullen nemen met de initiatiefnemers. Tijdens de Nachtwake op 13 en 14 april 2005 werd, met dank aan de nieuwe gebruiker, al een gedenksteen onthuld in de  voormuur van het voormalige gymlokaal.

Uiteindelijk leidde de actie er ook toe, dat de Gemeente Zwolle en de nieuwe eigenaar van het hoofdgebouw gezamenlijk zorgden voor de financiering van een kunstwerk. Het werd ‘De Rozenboom’, van kunstenares Iris Le Rütte, die eerder al had getekend voor een ensemble van kunstwerken bij de brug over de Willemsvaart, nabij de school. ‘De Rozenboom’ werd onthuld op vrijdag 3 oktober 2008.

[Kaderteksten 2 of 3 pagina’s reserveren, inclusief illustraties.]

 


Een splinter van het verleden

‘Zuweilen muss einer da sein, der gedenkt’, aldus het motto bij Ondergang   Vijftien jaar werkte Jacques Presser aan dit tweedelige boek over, zoals de niets verhullende ondertitel zegt, ‘de vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945.’ Presser beschouwde het als zijn roeping de tolk te zijn van degenen die, ‘tot een eeuwig zwijgen gedoemd’, zó toch nog hun stem konden doen horen. 
Het boek veroorzaakte -net als de boeken en tv-programma’s van Lou de Jong- een schokbeweging. Sinds de eerste druk in april 1965 verschenen talloze herdrukken, de laatste nog in 2005. Ondertussen zagen ook vele andere publicaties over het lot van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog het licht, evenals films, documentaires, lesprogramma’s, monumenten en andere gedenktekens en kunstwerken. Er werden synagoges gerestaureerd en -zij het vaak in een andere functie- weer in gebruik genomen, graven werden in kaart gebracht en hersteld. In 1983 werd het Herinneringscentrum Kamp Westerbork geopend, via het internet werden ‘virtuele gedenktekens’ opgericht ...

In dit kleine drieluik -een splinter slechts van het verleden, ook van dít verleden- gaat het over de geschiedenis van joods Zwolle tijdens de Tweede Wereldoorlog. En de manier waarop die geschiedenis, niet alleen hier na een aanvankelijk zwijgen, vorm heeft gekregen en krijgt.
Het eerste deel laat een korte historische schets zien, met het accent op de oorlogsperiode. Daarmee worden tegelijkertijd enkele belangrijke locale publicaties gememoreerd, die in de laatste decennia over dit onderwerp zijn verschenen.  Het tweede deel biedt een impressie in woord en beeld van de Nachtwake in 2005. Op 13 en 14 april van dat jaar werd zo het lot van een groot deel van de Zwolse joden herdacht. Het laatste deel van dit boekje vertelt over de totstandkoming en de betekenis van het kunstwerk ‘De Rozenboom’, dat op 3 oktober 2008 werd onthuld in het voorplantsoen van het voormalige gebouw van het Gymnasium Celeanum. In het naastgelegen gymlokaal van deze school werd op 2 en 3 oktober 1942 een grote groep Zwolse joden bijeengebracht, om daarna, niet als laatsten, te worden weggevoerd: van Zwolle naar Westerbork en verder.
 


 



terug naar nieuwsoverzicht
laatst gewijzigd op:
 Terug naar boven
  (C) 2006-2011 Historisch Centrum Overijssel Sitemap | Disclaimer