
Thomas a Kempis die als monnik onder ander leefde in het Agnietenklooster nabij de Agnietenberg was één van de grondleggers van de moderne devotie. Het Agnietenbier is een resultaat van de samenwerking met het Historisch Centrum Overijssel. Het is een goudgeel kloosterbier met een heerlijk hoparoma en een subtiele kruidige smaak.
Bier in de Middeleeuwen
|
Bier als een van de eerste levensbehoeften In de Middeleeuwen was bier, dat meestal maar weinig alcohol bevatte, de volksdrank bij uitstek. Thee of koffie kende men nog niet, het drinken van water gold als ongezond en wijn was voor de gewone man te duur. Dat bier als één van de eerste levensbehoeften werd beschouwd, blijkt wel uit het gegeven dat de brouwers samen met de broodbakkers één gilde vormden.
|
 |
Hop als smaakmaker
Om het bier op smaak te brengen maakte men aanvankelijk gebruik van gruit, een mengsel van gagelkruid, hars en zogenoemd zwaer cruyt. Het gruitbier werd vanaf het einde van de 14de eeuw echter in snel tempo verdrongen door het oorspronkelijk uit Hamburg en andere Noord-Duitse steden afkomstige hoppenbier, dat volgens veel mensen beter smaakte en ook langer houdbaar was. Ook de Zwolse brouwers stapten meer en meer over op hop als smaakmaker. Het stadsbestuur raakte daardoor wel een belangrijke inkomstenbron kwijt. Het recht om gruit te bereiden en te verkopen was namelijk een monopolie van de landsheer, dat door de stad werd gepacht. Toch had de overgang van gruit naar hop voor de stedelijke schatkist geen negatieve gevolgen, omdat de magistraat als compensatie het recht verwierf om de accijns van het binnen de stadsmuren vervaardigde hoppenbier te innen. Het stadsbestuur deed dan ook zijn best elders geproduceerd oftewel `vreemd' bier te weren. Al tegen het einde van de 14de eeuw was voorgeschreven dat op het grondgebied van de stad alleen ter plaatse gebrouwen bier mocht worden getapt.
Kwaliteitsbier: brouwen naar eer en geweten
De magistraat hield zich ook voortdurend bezig met de kwaliteit van het lokale bier. Deze bemoeienis mondde in 1472 uit in een officiële ordinancie van bier te brouwen. In het vervolg mocht niemand in de stad, man noch wijff, als brouwer aan de slag gaan voordat hij of zij met alle in het bedrijf werkzame knechten en maagden plechtig hadden beloofd zich aan de door het stadsbestuur opgestelde voorschriften te houden. Bij deze gelegenheid diende men tevens naar eer en geweten de grootte van de brouwketel en de kuipen op te geven. Tegelijkertijd regelde de stadsregering de samenstelling van het gerstenat en het aantal tonnen dat uit één brouwsel mocht worden gefabriceerd. Alvorens de drank op de markt kwam, diende de kwaliteit eerst te worden vastgesteld door uit het stadsbestuur afkomstige bierproevers.
Het afzetgebied
De plaatselijke brouwers richtten zich niet op een grote exportmarkt, zoals bijvoorbeeld wel het geval was in belangrijke brouwerijsteden als Amersfoort, Zutphen, Haarlem, Gouda en Delft. In de ordonnantie is alleen sprake van het uitvoeren van bier ten behoeve van den buytenluyden oftewel de bewoners van het omliggende platteland. De Zwolse brouwnijverheid werkte dus hoofdzakelijk voor een lokaal, beschermd afzetgebied.
Omvang van de brouwnijverheid
Hoeveel brouwers in de stad hun bedrijf uitoefenden en hoeveel tonnen er jaarlijks werden geproduceerd laat zich moeilijk vaststellen. Gegevens over het aantal brouwerijen en de totale productieomvang zijn niet voorhanden. Uit de bevoorrading van enkele krijgsexpedities in 1401, 1413 en 1420 valt wel af te lezen dat in Zwolle minstens een tiental brouwers gevestigd was. In dit aantal zal in het verdere verloop van de 15de en 16de eeuw vermoedelijk niet veel verandering zijn gekomen.
Belangrijke bierfamilies
Onder de leden van deze kapitaalintensieve bedrijfstak bevonden zich ook verschillende vooraanstaande mannen. In de bierverordening werd niet voor niets bepaald dat wanneer de stadsregering beraadslaagde over de Zwolse brouwnijverheid, de als brouwers werkzame bestuurders de vergadering moesten verlaten. De meeste brouwers vestigden hun kleinschalige bedrijf in de buurt van de Grote Aa, waar ze over een constante aanvoer van water konden beschikken. Het beste bier was het Kronenbier, dat sinds de 16de eeuw in brouwerij De Kroon aan de Voorstraat werd gebrouwen door de opvolgende magistraatsfamilies Van Sonsbeeck, Meeuwsen en Van Marle.