 |
4-10 januari in 1999
Op zondag 10 januari is in haar woonplaats Dedemsvaart de tuinarchitecte Mien Ruys overleden. Zij is 94 jaar geworden. |
Toen Mien Ruys 23 jaar was, wist ze wat ze wilde worden: tuinarchitecte. De belangstelling voor planten had ze meegekregen van haar vader, Bonne Ruys, die in Dedemsvaart de kwekerij van vaste planten Moerheim dreef. Maar het kweken van planten had niet de directe belangstelling van zijn dochter, wel het ontwerpen van tuinen. Een opleiding voor dat vak was er in Nederland nog niet, dus trok ze naar het Engelse Turnbridge Wells en later, in 1929, naar Berlijn.
| Na haar studies werd ze, in de jaren dertig, hoofd van de afdeling tuinarchitectuur op Moerheim. Haar uitgangspunt was, dat de groenvoorziening origineel moest zijn voor jong en oud. Ze lette ook op de bestrating. De schaarste aan klinkers bracht haar na de oorlog tot de Grion-tegel, een mix van grind en beton.
Ook paste ze de aanleg van diagonale paden toe, wat haar de bijnaam ‘Schuine Mien’ opleverde. |
 |
Vanaf 1960 gebruikte ze in haar ontwerpen ook spoorbielzen. Het bezorgde haar een nieuwe bijnaam: ‘Bielzen Mien’. Toen ze in 1992 werd gevraagd voor de Floriade weigerde ze verontwaardigd mee te werken aan deze ‘commerciële kermis voor plantjesgekken’. Voor haar was ‘een tuin net zo intiem als een slaapkamer.’ |
 |
In het jaar 1880 kwam de 22-jarige boerenzoon Gerrit Bennink in contact met de socialistische voorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Het werd een ontmoeting die zijn leven richting zou geven. Zoals in 1872 ook de sprong uit een brandend fabriekspand dat had gedaan. De toen veertienjarige Bennink liep daarbij ernstig rugletsel op, waardoor hij geen productiewerk meer kon verrichten. Maar hij vond werk als portier bij de Nederlandsche Katoenspinnerij in Hengelo.
Het contact met Domela ontstond via een enquête om een beeld te krijgen van de toestand waarin het Nederlandse werkvolk verkeerde. Bennink leverde daarvoor als lid van het liberaal-progressieve Algemeen Nederlandsch Werklieden Verbond (ANWV) informatie. Hij publiceerde voor het ANWV ook artikelen onder de naam van ‘een werkman der fabriek’.
|
Het maakte hem niet populair bij de werkgevers. Hij kreeg ontslag en vertrok naar het westen, maar keerde al in 1886 terug en vestigde zich als zelfstandig horlogemaker. Daarnaast leidde hij een buitengewoon actief politiek leven. In 1891 was hij één van de oprichters van het socialistische blad Recht door Zee.
Zijn politieke carrière verliep uiterst roerig en bracht hem zelfs in de gevangenis. Hij genoot als ‘Rooie Bennink’ of ‘Pokkel Bennink’ ondertussen voldoende respect en populariteit om, in de jaren 1900-1913 en 1919-1927, in de Hengelose Gemeenteraad te komen. Ook werd hij wethouder, van 1919 tot 1923, en lid van Provinciale Staten van 1901 tot 1919. Hij overleed op 14 januari 1927 in Hengelo. |
 |