‘Er scheen een waterig zonnetje, die tweede oktober 1942 en de blauwe leien steentjes, die alleen in de Papenstraat lagen, glommen. Moeder Levie stapte naar buiten met de kinderen. Ze hadden te horen gekregen dat vader Levie zich in het gymnasium bij hen zou voegen. Ze droegen hun rugzakken over de schouders. Die hadden ze al een hele tijd klaarliggen, dat was voorschrift. In witte letters stonden, heel misleidend, hun naam, adres en geboortedatum op de rugzakken geschilderd.
Veel mensen uit de omliggende straten deden hen in de smalle Papenstraat uitgeleide. De Levies knikten verrast gedag en enkele mensen zeiden: ‘Het beste, hoor!’of: ‘Tot spoedig weerziens!’
Ze liepen nogal verspreid, er was geen politie om hen te begeleiden, ze gaven simpelweg gehoor aan de oproep van de dag daarvoor. Ze draaiden zich niet eenmaal om.’
Uit: S. Stibbe, Hoe zorgeloos is de kindertijd. Jeugdherinneringen van een halfjoods meisje in oorlogstijd (Groningen 1994) p. 90
In deze bewoordingen beschrijft de Zwolse Sippora Stibbe het vertrek van haar vriendinnetje Vrouwtje Levie en haar familie uit Zwolle. De familie Levie zou vanuit het Zwolse gymnasium naar Westerbork vertrekken en met de eerstvolgende trein naar Auschwitz worden vervoerd. Tien dagen na het vertrek uit Zwolle is Vrouwtje Levie in Auschwitz omgekomen.
Vrouwtje Levie en haar familie staan centraal in de tentoonstellingsles ‘Alles zal goed komen’, die hoort bij de expositie ‘Joodse werkkampen in Staphorst’ voor leerlingen uit de bovenbouw van het primair onderwijs.
Vrouwtjes vader heeft naar alle waarschijnlijkheid in een werkkamp bij Dalfsen gezeten. De oorlogsgeschiedenis van deze familie staat symbool voor die van vele andere gezinnen, waaronder de families van de joodse mannen die in de Staphorster kampen verbleven.