|
Een kanaal is dikwijls onderverdeeld in ver-schillende panden, een stuk tussen twee sluizen. De Dedemsvaart had in totaal acht panden. |
 |
Toen baron van Dedem de vaart liet graven was zijn eerste doel dat de Dedemsvaart afwateringsvaart zou zijn, om de venen te ontginnen. Toen dat eenmaal gebeurd was, kon de scheepvaart beginnen.
In 1876 werd een nieuwe wet aangenomen die de provinciale overheid meer bevoegdheden gaf. Er werden spoorlijnen aangelegd en de scheepvaart werd bevorderd. Bedrijven kregen vergunningen en grootschalige ontginningen werden op touw gezet. Hierdoor kreeg de economie een impuls. Beurt- en vrachtschippers verdienden hun geld met het verschepen van producten.

|
Langs de vaart ontstond bebouwing en industrie. Het scheepvaartverkeer werd drukker en drukker. De industrie had een gunstig effect voor het noordoosten van Overijssel. De Dedemsvaart speelde een steeds belangrijker rol voor de Overijsselse economie. |
 |
In de jaren zeventig nam de scheepvaart toe. Het werd zo druk op de Dedemsvaart, dat de kanaalpanden moesten worden verruimd. Daar waar de bodem op een halve meter boven zeeniveau lag, werden hoge dijken aangelegd. Langs het hele kanaal kwam een kunstweg, zoals ze dat toen noemden.

|
Kunstwegen waren een luxe. Dat betekende dat de weg verhard was. Alleen straatwegen waren niet voldoende, want er ontstond een ander soort verkeer, zoals dat van de trams. Speciaal daarvoor werden ophaalbruggen ontworpen. Naast de weg en het kanaal lag het jaagpad. Als er geen wind was, konden de schippers de schepen voorttrekken door het water. |
|
De weg werd aan beide kanten geflankeerd door nog meer bomen, om de rails van de stoomtram af te schermen. Een groen tafereel dus, dat verkeer langs de Dedemsvaart!
Het kanaal moet er prachtig hebben uitgezien: een rij bomen, daarnaast het jaagpad met weer een rij bomen.

|
Het ging goed met de Dedemsvaart. De onderverdeling in panden zorgde ervoor dat het kanaal door het hoogteverschil niet leegliep. Via een ingewikkeld kanalen- en slotenstelsel werd het overtollige water afgevoerd naar verschillende panden en kanalen. Het water werd op zijn plaats gehouden door dijken.
|
 |
Het pand van Veenschut tot Huizingerveld, het derde pand, was het kortste pand. Dit derde pand had vaak te kampen met overstromingen. Dat overtollige water kwam uit het deel Lutten - Dedemsvaart - Balkbrug.
Even verderop lagen het vijfde en zesde pand. De afvoer van het overtollige water liep via de rivier de Reest. Het water werd geloosd door het Schotkampsluisje, een lastig geval. Op de foto ziet het sluisje er onschuldig uit. Maar als het in de zomermaanden geopend werd, stroomde het land vaak onder water, tot grote ergernis van de omwonenden.


|
De meeste wijken hadden namen. Ze werden bijvoorbeeld genoemd naar namen van personen, zoals de Jan Geertwijk, de Jan Keeswijk, de Kruizingawijk, de Scholtenwijk, de Kolenbranderswijk, de Hein Baaswijk. Zouden ze genoemd zijn naar eigenaren en gravers? |
 |
Er waren ook andere namen: de Posthoornwijk, de Korte Wijk, de Smalle Slagwijk. Andere namen klinken weer heel spannend: de Pillowwijk, de Spekkopwijk. Een klein aantal wijken had alleen een nummer, bijvoorbeeld de 1e tot 4e wijk te Rheeze. Vele namen van de wijken vinden we nu nog terug op de kaart.
