Onmetelijke hoeveelheden turf waren in de negentiende eeuw afgevoerd. Kalkovens waren verrezen. De streek had gravers aangetrokken. Mannen die met hun schop een inkomen probeerden te verwerven. Hoe schamel ook. Zij waren de enigen niet, die hier hun geluk probeerden te vinden.

Rond 1900 verscheen een nieuwe categorie, die van de pioniers. Deze ondernemende figuren stichtten op de gronden waar het hoogveen was afgegraven boerderijen.

Vóór de komst van de kunstmest hadden deze dalgronden nog weinig waarde. Ze bevatten zelf namelijk nauwelijks plantenvoedende stoffen. Bemesting moest dus worden aangebracht, maar dat was nu juist het probleem. Tot de kunstmest zijn intrede deed.
Toen de kunstmest gemeengoed was geworden, konden op grote schaal aardappelen worden verbouwd. De pioniers of kolonisten, veelal afkomstig uit Groningen, werden vaak met wantrouwen bekeken. Toch waren deze nieuwkomers en de vernieuwingen die zij brachten onmisbaar voor de economie. Ter plaatse werden fabrieken opgericht om de zeer bederfelijke aardappelen snel te kunnen verwerken.
De eerste was De Baanbreker in Lutten, omstreeks 1900. Daarna volgde Inter Nos, later Onder Ons genoemd, in De Krim. Deze fabrieken zorgden echter niet alleen voor werk en inkomen, maar ook voor vervuiling.
Het landschap langs de Dedemsvaart was binnen een eeuw totaal veranderd. Dat had ook gevolgen voor de waterhuishouding. Steeds meer waterschapjes werden opgericht om de problemen te lijf te gaan.

De vaart bleef een levensader, maar ondertussen stonden de economische en verkeerstechnische ontwikkelingen niet stil. Het belang van de turf nam af en het wegvervoer kwam op.
De vaart bleef een levensader, maar ondertussen stonden de economische en verkeerstechnische ontwikkelingen niet stil. Het belang van de turf nam af en het wegvervoer kwam op.
