Van Dedem maakte haast. Al op zondag (!) 9 juli 1809. een dag na de aanbesteding. ging bij Hasselt de eerste spade de grond in. In 1811 was het werk reeds gevorderd tot iets voorbij Balkbrug. De vaart liep voor een deel door veengebieden van Van Dedem en zijn familie. Maar de onderhandelingen voor de rest van het traject verliepen vaak moeizaam.

Nr. 53 van de ‘Zwolsche Courant van Dinsdag den 4 July 1809’ meldde ...

Een dochter en een vaart ...
Van Dedem had ook voortdurend te maken met financiële problemen. Die ontstonden mede door technische tegenvallers. Zo bleek het moeilijk overstromingen van de vaart te voorkomen.

Hij zag zich in 1828 zelfs gedwongen zijn geesteskind te verkopen. Maar hij kocht de vaart terug en streed door. Er werd ook een noordelijke zijtak gegraven, de Lutterhoofdwijk. In 1845 waren de financiële middelen van Van Dedem uitgeput. Opnieuw moest hij zijn schepping, ‘de Nieuwe Vaart’, verkopen.
De Provincie Overijssel werd in 1845 eigenaar van de vaart en dat bood nieuwe mogelijkheden. Nu was er geld en politieke steun. Ook Zwolle werkte inmiddels volop mee. In 1849 probeerde men nabij de Duitse grens de Vecht te bereiken. Die verbinding kwam er voorlopig niet. Wel zorgde de Dedemsvaart ondertussen voor vaart bij de ontwikkeling van Noordoost-Overijssel!
