De Dedemsvaart: van 1791 tot 1809
|
In 1791 ontwierp mr. Gerrit Willem van Marle een plan voor de ontwikkeling van Noordoost-Overijssel. Deze vermogende en invloedrijke Zwollenaar had daar grote belangen. Hij bezat er namelijk uitgestrekte stukken hoogveen. Die vormden de basis voor de zeer rendabele turfwinning.
|
Eerste plannen
Van Marle vroeg adviezen van deskundigen en kocht alvast gronden aan. Voor de exploitatie van het hoogveen in Noordoost-Overijssel was allereerst een vaart nodig. Want langs die weg konden mensen en materialen worden aangevoerd en turf afgevoerd. Van Marle liet hierover rapporten schrijven.
De vaart zou beginnen vanaf het Zwarte water, in Hasselt. Daar kreeg Van Marle alle medewerking. In zijn woonplaats Zwolle niet, omdat men daar vreesde voor concurrentie. Deventer en Kampen lieten zich meeslepen door Zwolle. Van Marle moest bakzeil halen.
Toen hij in 1799 overleed was er van zijn plannen nog niet veel terecht gekomen. |
 |
|

|
 |
Nieuwe pogingen
In 1802 trouwde Van Marle’s dochter Judith met mr. Willem Jan baron van Dedem tot den Berg. Op verzoek van de familie vatte deze de plannen weer op. Hij bestudeerde de nagelaten papieren van zijn schoonvader. Ook ging hij kijken in de Groninger, de Friese en de Drentse veenkoloniën. Verder bekwaamde hij zich in de landmeetkunde.
Gewapend met nieuwe kennis kwam hij tot de conclusie, dat de zaken groot moesten worden aangepakt. Zwolle was echter nog steeds bang voor concurrentie en bleef tegenwerken. |
 |
Gebrek aan medewerking
Veel grondeigenaren weigerden eveneens mee te werken. Zij zagen er het nut niet van in, grond af te staan. Van Dedem bleef echter volharden, hoewel hij deed alsof hij zijn plannen wilde laten varen. Hij hoopte ondertussen op hulp van Lodewijk Napoleon. Deze Franse koning had in 1806 in Nederland de touwtjes in handen gekregen. In 1809 bracht hij een werkbezoek aan Overijssel. Voor het noordelijk deel van de provincie bleek dat van groot belang te zijn.